Toen ik deze merrie voor het eerst zag, schrok ik.

// Over pijn, lijden en het zenuwstelsel

Het verhaal achter de foto

Ik heb getwijfeld om deze foto af te laten drukken,
omdat ik wist dat sommige mensen er liever niet naar zouden kijken.
De aanblik van deze merrie is niet bepaald aangenaam.

 “Telkens opnieuw vroeg ik me af:
zie ik hier een paard dat lijdt?”

Haar ribben tekenden zich scherp af onder haar huid. Ze had enkele maanden eerder een veulen gekregen en gaf nog melk. Mijn eerste impuls was eenvoudig: dit paard heeft hulp nodig.

Toch bleef ik kijken.

Vier dagen lang volgde ik deze kudde Sorraia-paarden in Portugal. In het begin bleef mijn blik steeds terugkeren naar haar lichaam. Naar haar uitstekende heupen, haar ingevallen flanken. Maar langzaam gebeurde er iets anders. Ik begon minder naar haar ribben te kijken en steeds meer naar haar gezichtsuitdrukking.

Telkens opnieuw vroeg ik me af: zie ik hier een paard dat lijdt?


“Ik merkte dat ik voortdurend
haar ogen opzocht.”

Ik zag geen aanhoudende spanning. Geen onrust die bleef hangen. Niet die uitdrukking die ik intussen bij zoveel van onze gedomesticeerde paarden ben gaan herkennen. Haar blik was zacht. Ik zag in haar gezicht niet het lijden of de zorgen die ik bij de eerste aanblik van haar lichaam had verwacht.

Dat ik zo naar haar gezicht bleef kijken, was niet alleen intuïtie. De afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat paarden een veel rijkere mimiek hebben dan vroeger werd aangenomen. Zelf ben ik ook steeds meer naar hun gezichtsuitdrukking gaan kijken. Alsof ik langzaam leer hoeveel er via de ogen en het gezicht van een paard te lezen valt.

Ik moest daarbij denken aan iets wat etholoog Lucy Rees me ooit vertelde. Zij bestudeert al tientallen jaren wilde paarden en merkte op hoe weinig ze die gebroken blik zag bij sommige wilde paarden, zelfs wanneer ze zware ervaringen hadden doorgemaakt.

Wat ik zag, was een merrie die het grootste deel van haar tijd besteedde aan grazen. Ze leek zorgvuldig met haar energie om te gaan. Haar veulen kwam naar haar toe om te drinken en trok daarna weer de kudde in. De jonge hengst bleef vaak in de buurt wanneer het veulen rustte. Ook de oudere zus was geregeld bij het veulen.

Het viel me op hoe weinig de merrie zelf met haar veulen bezig was. Het veulen vond haar wanneer het wilde drinken, maar verder zag ik weinig interactie tussen hen. Een groot deel van de sociale zorg leek gedragen te worden door de vader en de oudere zus.

Maar nog meer dan dat bleef
haar blik me bezighouden.
Ik merkte dat ik voortdurend
haar ogen opzocht.

Die gedachte is me blijven bezighouden. Tijdens mijn eigen observaties van wilde paarden heb ik maar een handvol paarden gezien die lichamelijk echt zwaar getroffen waren. Toch zag ik bij hen niet hetzelfde lijden dat ik zo vaak meen te herkennen bij paarden die ik hier ontmoet.

Veel van onze paarden groeien op met stress. Ze groeien niet op in een stabiele familiekudde en zijn voor bijna alles afhankelijk van de mens: wanneer er eten komt, met wie ze samenleven, waar ze verblijven. Veel wordt voor hen bepaald. Er blijft weinig ruimte over om zelf te kiezen. Daarmee krijgen ze ook minder kans om op te groeien in een omgeving waarin hun zenuwstelsel zich samen met andere paarden kan ontwikkelen en reguleren.

Misschien lag daarin iets van wat ik bij deze merrie zag. Niet dat ze geen pijn kon hebben. Niet dat het leven in het wild haar beschermde tegen honger, verwondingen of andere tegenslagen. Maar misschien bepaalt een stevige basis mee hoeveel een zenuwstelsel kan dragen wanneer het leven moeilijk wordt.

Want pijn en lijden zijn niet helemaal hetzelfde. Pijn kan aanwezig zijn in een lichaam. Hoe zwaar die pijn wordt om te dragen, hangt ook samen met alles wat een zenuwstelsel al draagt.

Misschien was dat waarom ik na vier dagen anders naar haar keek.

Haar ribben waren niet verdwenen.
Haar lichaam was niet minder
mager geworden.


Maar ik was gestopt met te denken
dat haar lichaam mij het
hele verhaal vertelde.